Meer en meer vragen mensen wat er van binnen gebeurt als je een opstelling begeleidt of een systemische interventie doet. ‘Wat zijn je overwegingen? Wat gebeurt er in je? Wat doe je als je zo lang stil bent? Waar haal je deze vraag nou weer vandaan?’ Bijzondere vragen. Opstellingen en systemisch werk zijn geen magie. Het is voor een groot deel logica. Natuurlijk komen er steeds innerlijke beelden of woorden op. Maar dat is geen helderziendheid. Op het snijvlak van de logica van een schaakspel en het innerlijk (niet) weten van een kunstenaar spelen veel innerlijke concepten, waarnemingen en overwegingen een rol bij het uitoefenen van het ambacht van systemisch werk. In dit magazine komen drie strategieën naar voren van ervaren opstellers en systemische adviseurs.


Hoe doet Anton dat?

Cliënt: ‘Wat je zegt snijdt hout; maar hoe kom je erbij; hoe verzin je dat?’ Anton (of adviseur): ‘Nou, gewoon . . . . ., het is het eerste waar ik aan denk.’ C: ‘Ja, maar hoe komt het nou dat je juist daaraan denkt?’ Nog wat meer van deze indringende vragen leidden tot reflectie op de vraag: wat doet iemand die systemisch handelt? De manier waarop het bij mij werkt beschrijf ik hieronder.

Wat ik vrijwel automatisch doe in een ontmoeting, gesprek, iets lezen of zien:

Mezelf afvragen: Waar is dit misschien een voorbeeld van? Daarmee ben ik dan op zoek naar iets anders dan wat er verteld wordt. Mijn aandacht blijft niet bij het moment of voorval, maar gaat op zoek naar iets groters: mogelijke systemische wortels van het vraagstuk of probleem dat voorgeschoteld wordt.

Daarbij heb ik min of meer een systemisch-fenomenologische checklist in mijn hoofd. Niet dat ik heel bewust iedere keer dat rijtje afga: Het lijkt meer dat soms het ene en soms het andere aangeraakt wordt om mee verder te werken. Wat verteld wordt, zou dat iets te maken kunnen hebben met er bij horen, ordening, onbalans, ontstaansreden, bestaansgrond, welk mogelijk leidend principe schijnt als het ware heen door het feit of voorval dat verteld wordt.

Is iets een incident of lijkt het meer een patroon te zijn? Iets wat zich herhaalt op andere tijdstippen, in hetzelfde of in andere delen van het geheel. Daar gaat mijn grootste interesse naar uit, want op dat niveau is het gepresenteerde probleem immers de oplossing voor iets. En als ik op die manier de tot dan toe nog niet bewust geworden behoefte van het systeem duidelijk kan maken dan heeft de eigenaar van het probleem op bewust niveau nieuwe mogelijkheden om in die behoefte te voorzien.

Ik maak vaak vergrotingen of verscherpingen van wat de ander zegt om de kern van de zaak te verhelderen. Ik leid dat in met veel nadruk op ‘Als het zo zou zijn dat…., dan… En misschien is het heel anders. Ik zeg niet dat het zo is, maar misschien raakt het iets van de kern.’ Als ik iets op die manier ‘gesteld’ heb, ben ik daarna meestal stil tot cliënt iets zegt. Of ik stel een vraag als: Doet het ergens een belletje rinkelen, of niet? Als het laatste het geval is dring ik erop aan om het hele verhaal te vergeten. Meermalen meegemaakt dat iemand er later nog eens op terug komt en zegt: ‘Toen ik er nog eens over nadacht…’

De praktijk 

Cliënt: ‘Vlak voor mijn vakantie vraagt mijn baas me na te denken over een lastig vraagstuk.’

Adviseur: Ogenblikkelijke reactie in mij: Zou het meer voorkomen dat mensen vlak voor ze het werk achterlaten met een nieuwe vraag geconfronteerd worden? Ik registreer dat, meer niet. Ik wacht af of er meer signalen in de richting van zo’n mogelijk patroon komen, zonder me ook maar een seconde bezig te houden met de vraag wat dat zou kunnen betekenen. Ik zeg niets.

Cliënt: ‘We hebben een interim hoofd staf. Zijn contract loopt over een tijdje af en er is twijfel of dat vernieuwd gaat worden. Hij lijkt de klus niet te trekken en er aan onderdoor te gaan. En toch is het een competent iemand. Ik begrijp het niet. Mijn baas vroeg me of ik er eens over wilde nadenken hoe we de opvolging gaan regelen.’

Adviseur: Ik realiseer me: als het over de toekomst moet gaan, moeten we eerst naar het verleden en de vraag komt op: ‘Wie heeft hij opgevolgd en waarom de keuze voor een interimmer?’

Ik ga er dus niet op in hoe het voor die man is, maar ga naar de organisatie. En dan vooral naar wat er eerder gebeurd is met die plek in de organisatie.

Cliënt: ‘Het eerste hoofd staf is na drie jaar met pensioen gegaan.’

Adviseur: Ik denk bij mezelf: toch een beetje bijzonder dat je een nieuwe functie creëert en de eerste die je daarin benoemt is iemand die vrij snel met pensioen gaat. Achteraf analyserend wordt me helder dat het ook had kunnen zijn dat de bijzondere kwaliteiten van iemand die kort voor zijn pensioen zit een geweldige start hadden kunnen geven aan de nieuwe functie. Daarna bedenk ik dat dit idee niet bij me bovenkomt omdat ik op zoek ben naar wat problematisch is omdat er een probleem gepresenteerd is. Ik heb geen interesse om alle theoretische mogelijkheden te onderzoeken, maar focus op waarom het zo logisch is dat er een probleem ontstaan is.

Ik wil naar het ontstaan van de functie om te zien of, systemisch gesproken, daar iets onhandigs gebeurd is en zeg: ‘De functie bestaat dus nog niet zo lang. Hoe is die ontstaan?’

Cliënt: ‘De vorige directeur wilde niet meer rechtstreeks met alle stafleden individueel overleggen. Toen heeft hij er een hoofd tussen gezet.’

Adviseur: ‘En iemand benoemd van wie duidelijk was dat die persoon Hoe doet Anton dat? – 30 – niet zo heel lang zou blijven.’ Attent op een ander mogelijk patroon vraag ik: ‘Gebeurt zoiets vaker?’

Cliënt: ‘Dat weet ik niet. Wat ik wél weet is dat in de wandelgangen van de organisatie iedereen vindt dat de directeur het mooi geregeld had voor die betreffende medewerker’.

Adviseur: ‘Bedoel je dat de functie misschien ook wel gecreëerd was, een soort rustige plek voor iemand om zijn pensioen te halen?’

Cliënt: ‘Ja, eigenlijk kijkt iedereen in de organisatie er zo naar.’

Adviseur: Bij het schrijven van deze tekst realiseer ik me dat ik het gesprek hier ook had kunnen stoppen met te vertellen over de belaste plek of niet bestaande plek; en hoe je daarmee kunt omgaan. Maar het gaat hier om nog iets groters en daarom blijf ik doorgaan. Weer op zoek naar een mogelijk patroon vraag ik: ‘Gebeurt het vaker dat er plekken gecreëerd worden voor mensen? En als dat zo is, welk probleem wordt daarmee opgelost? Of misschien uit de weg gegaan?’

Cliënt: ‘Het betekent in ieder geval dat mensen niet ontslagen hoeven te worden.’

Adviseur: ‘Zijn jullie een organisatie van ‘kolen en geiten sparen?’

Cliënt: ‘Wij zijn een organisatie die hulp verleent aan mensen die in nood zitten en nergens meer terecht kunnen.’

Adviseur: Ik heb de indruk een leidend principe van de organisatie te pakken te hebben en zeg: ‘Als ik het heftig zeg dan lijkt het heel erg bij de organisatie te horen om voorrang te geven aan individuele noden boven organisatiebelangen. Als dat klopt dan zou het raar zijn als er géén functie gecreëerd zou worden voor iemand die nog een paar jaar moet uitdienen.’

Cliënt: ‘Ja, er wordt eigenlijk nooit iemand ontslagen bij ons.’

Ik laat het stil zijn en na een tijdje zegt cliënt: ‘Ik realiseer me nu dat bij ons het werk bij de mensen gezocht wordt in plaats van andersom.’

Adviseur: Ik wil terug naar de staf en denk, bijzonder dat deze organisatie een stafbureau van een behoorlijke omvang heeft en vraag: ‘Wat voor mensen zitten er in de staf?’

Cliënt: ‘Een enkele specialist en voor de rest zijn het vooral ex-managers.’

Adviseur: ‘Uitgerangeerde managers? Opnieuw kolen en geiten gespaard? Opnieuw is er altijd een plek voor iedereen?’

Cliënt: ‘Oh, dat is wel heftig als je het zo zegt.’

Adviseur: Opnieuw realiseer ik me pas bij het schrijven van deze tekst dat ik ook hier had kunnen stoppen. Kennelijk is er nog steeds iets groters wat mij lokt en op zoek naar de bestaansgrond van de staf vraag ik: ‘Wat zou er gebeuren als er geen staf zou zijn?’

Cliënt: ‘Dan zouden we heel veel missen. Stafleden voeren veel overleg met financiers en organisaties waarmee we samenwerken. Elk staflid heeft zo zijn eigen terrein.’

Adviseur: Ik denk: bijzonder dat dit soort functies in de staf en niet in de lijn zijn belegd. Ik weet ook hoe klassiek de tegenstelling staf – lijn vaak uitwerkt in een organisatie.

Ik zeg: ‘Mijn fantasie is dat het niet botert tussen stafleden en lijnmanagers. Stafleden komen naar huis met resultaten uit overleggen waarvan de managers zeggen: Hoe heb je dat nou kunnen doen? En stafleden voelen zich niet gewaardeerd terwijl ze het gevoel hebben alles eruit gehaald te hebben wat er in zat.’

Cliënt: ‘Dat klopt.’

Adviseur: Ik ga terug naar het begin, me realiserend dat er iets lijkt te kleven aan de plek van hoofd staf en zeg: ‘De directeur wilde niet meer met individuele stafleden overleggen omdat het teveel werk was en daarom creëerde hij de functie hoofd staf.’

Om dingen helder te maken houd ik er soms van uit te vergroten. Dat doe ik door te zeggen: ‘Ik zeg niet dat het zo is, maar als ik het eens even uitvergroot, mag dat?’

Cliënt: ‘Ja. Ik ben benieuwd.’

Adviseur: ‘Oké, ik ga los. De directeur zet een functie tussen hem zelf en de staf. Hij wil al dat individuele overleg niet meer. Zeer voorstelbaar. Zou het ook de boodschap in zich kunnen hebben van: ‘Ik wil de staf niet?’ En als dat zo zou zijn dan is er geen plek voor een hoofd staf. En als dat zo zou zijn, dan is er niemand die deze functie goed kan vervullen, want er is gewoon geen plek voor hem of haar.’

Het blijft lang stil en dan, Cliënt: ‘Oh, ik dacht dat je wel een paar handige ideeën zou hebben voor het regelen van de opvolging, maar dit gaat veel verder. Hier moet ik eens over nadenken.’ Tevreden over de ontwikkeling sluit ik het gesprek af.


Hoe doet Jan Jacob dat?

De meeste van mijn strategieën zijn onbewust of halfbewust. Ik zal proberen een paar ervan boven tafel te halen, mede aan de hand van een voorbeeld. (Hieronder zijn gedeelten uit twee cases die me voor de geest staan, samengevoegd)

Carla is medewerker in een team ‘employability’, dat sinds twee jaar is samengegaan met een snel groeiend team ‘werving en selectie’. Haar vraag is: ‘Hoe komt het dat beide teams nog steeds niet goed samenwerken?’. Beide teams hebben teamleiders en daarboven staat een directeur

Mijn eerste strategie is bijna een mantra, een zich in mij herhalende zin: ‘Hoe komt het dat de cliënt juist nu deze vraag heeft? Daar moet een goede reden voor zijn! Wat is haar of zijn reden?’ Carla, net als de meeste cliënten, stelt zo’n vraag uit betrokkenheid. Met wat is ze verbonden, wat is voor haar belangrijk, waar is haar hart in het stellen van deze vraag? Haar formele positie is medewerker, maar haar hart kan haar voeren naar andere posities, zoals die van naast de directeur.

Ik vraag haar dan ook: ‘Weet je dat je als medewerker maar weinig invloed op beide teams kan hebben?’ 

Antwoord: ‘Ja’.

 ‘En sta je soms innerlijk naast de directeur’ 

Antwoord: ‘Ja’.

Mijn volgende strategie dringt zich op, soms is dat als een hinderlijke kabouter die op de voorgrond stapt: de visualisatie. Ik zie als het ware Carla naast de directeur staan. Alsof ik naar een opstelling kijk. En ik zie dan opeens achter Carla staan: dat wat haar drijft, haar betrokkenheid. Als een soort vlek staat die achter haar. En dan opeens zie ik ook achter de directeur staan wat háár drijft. En in het beeld dat opdoemt lijken de drijfveren van Carla weliswaar verschillend te zijn, maar erg compatibel met die van de directeur.

Waar komt dit beeld vandaan? Is het door de manier, de intonatie, dat wat tussen de regels hoorbaar is hoe Carla over de directeur sprak? Dat kan ik moeilijk meer achterhalen, maar in elk geval moet ik het beeld verifiëren, voordat het een eigen leven gaat leiden.

‘Carla, als je naar de directeur kijkt, wat gebeurt er als je zegt: ‘Jij hebt jouw drijfveren en ik de mijne….’ Carla knikt, ‘maar als ik naast je sta zijn die drijfveren goed te bundelen….’ Carla knikt heftiger, serieus en stralend tegelijkertijd.

Opeens breidt mijn beeld zich uit, en in mijn geestesoog zie ik de beide teams en ook de twee teamleiders. Dan komt er plots beweging in het beeld. Daar dient een derde strategie zich aan. Heel vaak neem ik de bewegingen in een systeem waar, als een soort vectordiagram, als de baan die een pijl zal volgen vanaf het moment dat die de pees van de boog verlaat. En ik vraag me af of die beweging zijn bestemming kan bereiken. Soms voel je stagnatie, soms voel je dat die beweging buitengewoon krachtig, soms zelfs té krachtig is. Dat gebeurt nu ook. Ik schrik er zelfs een beetje van als ik me voorstel hoe Carla en de directeur naast elkaar staan en hun drijfveren hun krachten bundelen. Opeens zie ik als het ware beide teamleiders weggeblazen worden. Oh jee!

‘Carla, zou het zo kunnen zijn dat als jij en de directeur hun krachten bundelen, dat dat te veel is voor de teamleiders?’ Carla lijkt ook een beetje te schrikken, alles verloopt in stilte, maar ze knikt. ‘Hebben de teamleiders ooit een echte kans gehad? Resoneert deze vraag of helemaal niet?’ Carla kijkt intens betrokken en knikt weer.

Met deze laatste paar vragen speelt ook een vierde strategie mee, wederom een soort mantra. Het is de zin: ‘Voor wat is dit probleem een oplossing, voor wat is het een oplossing? Voor wat is de moeizame samenwerking tussen de teams een oplossing?’ Zou het zo kunnen zijn dat de teamleiders er nooit aan toe gekomen zijn om de leidende principes van beide teams naast elkaar te leggen? Wie heeft de teamleiders hun positie gegeven? Hebben ze een positie gekregen waarin het überhaupt mogelijk was om te werken aan een integratie van beide leidende principes? Al dit soort vragen buitelen over elkaar in mij.

Een (vijfde) substrategie is om me voortdurend voor te stellen dat ik deze vragen stel aan Carla. Het zijn testruns. Ik stel me de vraag en voel of die wel of geen hout zal snijden. Vragen waarvan ik voel dat ze niet wezenlijk nieuwe informatie opleveren laat ik voor wat ze zijn. Een vraag die blijft hangen stel ik. En dat is ook een testrun. Als een vraag niet resoneert bij Carla, ben ik snel om te zeggen: ‘Vergeet dit maar’. Systemisch interveniëren is ook trial and error-werk. En wanneer ik een doodlopende weg in sla kan ik die makkelijk loslaten. Mensen vragen vaak wat ik doe als ik lang stil ben. Meestal werkt mijn innerlijke processor dan hard, en voert de ene na de andere testrun uit, en ja, dat kost tijd.

En een zesde strategie is: aan wíe – 32 – stel ik die vragen eigenlijk. In het begin zijn het vragen aan Carla als medewerker in een team. Maar naar gelang we verder komen worden de vragen meer en meer gericht aan het organisatiesysteem in zijn geheel, in dit geval de beide afdelingen en hun teamleiders en directeur, met daaromheen de grote organisatie waarvoor ze allemaal werken.

Naarmate we verder komen gebruik ik Carla meer als een soort hub, een toegangspoort tot het hele systeem. Doordat Carla deel is van deze organisatie heeft ze hologra- fi sch toegang tot veel meer info dan die alleen hoort bij haar positie als medewerker. Info die ze bewust weet, maar ook veel info die ze niet bewust heeft.

Ik kom nog even terug bij Carla. Het voelt alsof deze sessie, die misschien een minuut of drie geduurd heeft, bijna ten einde is. Overigens is dat ook een strategie (nummer zeven), eentje die ik van Bert Hellinger geleerd heb: Als er bij de cliënt iets in beweging komt is dat voldoende. De beweging voltooit zichzelf. Zorg dat het momentum, de impuls zo groot mogelijk is en dat je daarna niet meer intervenieert.

Maar ik wil nog iets afronden: ‘Is het beter als je naast de directeur blijft staan, of als je enige afstand neemt?’ Carla lijkt innerlijk verschillende posities te testen, en op een gegeven moment tevreden te zijn over de plek die ze vindt. ‘Het voelt hier rustiger’, zegt ze. ‘Kunnen we het hierbij laten?’ Carla knikt.

Dat brengt me nog tot de achtste en laatste strategie die in verband met dit korte stukje opdoemt: Systemisch werk lijkt een continue beweging van ontrafelen en (weer) verbinden. Voortdurend vraag ik me af: ‘Wil hier eerst iets ontrafeld worden of wil er eerst iets verbonden worden’. Terugpeinzend valt me op dat ontwikkeling, of een klein volgend stapje, vaak gebaat is bij éérst ontrafelen van wat onbewust verstrikt is geraakt, en daarna op een andere, mogelijk nieuwe en meer up-to-date manier verbinden.


Hoe doet Bibi dat?

De ‘sjabloon-strategie’ van Bibi Schreuder 

De moeilijkste vraag om te beantwoorden in ons werk is: ‘Hoe kwam je aan die zin?’ Ik zal een poging doen om te verwoorden hoe ik soms gebruik maak van innerlijke beelden en sjablonen waar die beelden wel of niet in passen.

Ik heb gemerkt dat ik herken doordat ik een soort sjablonen in mijn herinnering heb opgeslagen. Ik merkte dat voor ‘t eerst, doordat mijn kinderen vroeger altijd aan mij vroegen: ‘Wat voor een vogel is dat?’, omdat ze wisten dat ik altijd de vogel herkende; ook ik had dat van mijn moeder geleerd. Totdat ik een vogel echt niet herkende, ik zocht ‘m op en het bleek de uitheemse Nijlgans te zijn. Maar gek genoeg, bleef ik de Nijlgans maar niet herkennen. Ik merkte zelfs dat ik in mezelf zei: ‘Ik herken ‘m niet dus zal het wel een Nijlgans zijn’. En zo ontdekte ik dat ik in mijn jeugd de sjablonen van de vogels die ik toen veel zag had opgeslagen, en zo direct een vogel kan herkennen: Als ik een vogel zie, scan ik onbewust in welke van de bestaande sjablonen deze past. Maar in mijn jeugd waren er nog geen Nijlganzen in Nederland, en daar heb ik dus geen sjabloon van opgeslagen.

Toen Jan Jacob mij eens ondervroeg hoe ik patronen of dynamieken in een opstelling herken, werd me duidelijk dat ik ook hier de herinneringsvorm van sjablonen toepas. Ik heb een beeld -een sjabloon- van hoe bijvoorbeeld een ordening in een ‘geordend’ familiesysteem er uitziet, met de klok mee de vader, de moeder, oudste kind, tweede kind, enzovoort, en als ik dan dat sjabloon over de opstellingsafbeelding heen leg, dan verschijnen zo de verschillen. Net als de puzzeltjes met ‘zoek de zeven verschillen’: als je de twee afbeeldingen over elkaar heen legt en tegen het licht houdt, dan ploppen de verschillen op. Zo ‘zie’ ik wat er in de ordening verschoven is in dat systeem. Daarna kan je kijken wat die ordeningsverschuiving teweeggebracht heeft. Is een kind de ouder van zijn ouders geworden? En zo ja, wat was er, dat daar in de achtergrond van de ouders zo moeilijk was om in te sluiten? Ook hier kijk ik hoe het opstellingsbeeld past in sjablonen van systeempatronen die zich zo langzamerhand in mijn hoofd genesteld hebben.

Toch werkt het niet eenvoudig zo, dat als ik een opstelling zie, ik ook direct het patroon erin kan zien. In iedere opstelling uit zich een patroon weer anders. Toch lijkt er in mijn herinnering een sjabloon voor opgeslagen. Als je naar de plattegrond van een opstelling kijkt, en je ziet bijvoorbeeld dat de vier elementen als het ware als een kruis staan, waarbij het lijkt of 1 en 3 van elkaar gescheiden worden door de onzichtbare lijn tussen 2 en 4 en andersom, dan vraag ik me af wie er ooit niet bij elkaar mochten komen. Of wat kon niet samen in één systeem zijn? Dat geeft aanleiding om aan de cliënt te vragen of daar informatie over is. Is er ooit iemand van een liefde afgesneden, mocht iemand niet trouwen met een geliefde? Of is er een gebeurtenis geweest waar mensen slachtoffer van geworden zijn, of waar mensen niet meer door één deur konden? Vaak merk ik dat doordat de opstelling het systeem geopend heeft, die informatie bij de cliënt nu meer voorhanden ligt dan vóór de opstelling. Opeens komt bij de cliënt het gerucht van een geheime liefde van oma boven, of van de oom die met de Duitsers collaboreerde, terwijl deze informatie tijdens het inleidend interview nog niet naar boven kwam.

Wat maakt dan dat ik die onzichtbare lijnen zie en dat verbind met vragen als: ‘Wie mochten er ooit niet bij elkaar komen?’

Het lijkt erop dat op het moment in de opstelling dat er iets van de begeleider verwacht wordt, maar ik nog geen idee hebt wat, dat die innerlijke leegte opeens volstroomt met beelden. Beelden die ik halfbewust al kreeg toen ik de cliënt voor het eerst ontmoette, beelden die opkwamen door de manier waarop de representanten zich opstelden, beelden die opdoemden toen de representant zei: ‘Ik zie niemand….’ Al die beelden apart zeiden me niets en ik liet ze achter in een denkbeeldige vakjes-kast achter me. Nu ik niet weet wat ik moet doen, lijkt het of al die afzonderlijke beelden via mij samensmelten tot een totaalbeeld. Nu kan ik iets doen: testen, vragen. Soms durf ik een vraag nauwelijks te stellen omdat hij me zo raar voorkomt, maar dan dringt het beeld zich zo op, van waaruit ik een vraag stel die uit de lucht lijkt te vallen, zoals bijvoorbeeld: ‘Is er sprake van adel in de familie, of van grote standsverschillen?’.

Zijn die sjablonen dan archetypen van systemen? Als dat zo zou zijn, verklaart dat nog niet waar de rake vragen vandaan komen. Of krijg ik het innerlijk beeld van de cliënt te zien? Nee, daar geloof ik niet in en bovendien zouden de rake vragen dan bij de cliënt zelf opkomen terwijl ze juist daar vaak inslaan als een bom.

Misschien installeren veelvuldig gestelde vragen sjablonen in mijn hoofd. Mogelijk dat de vragen: ‘wat mag hier niet bijeen komen’, of: ‘wat mag hier niet aan het licht komen’, die ik zo vaak in mezelf stel, ook wel een sjabloon vormen. Is dat wat Matthias Varga von Kibéd bedoelt met ‘de structuur van een vraag’? Misschien triggert een opstellingsbeeld die vraagsjablonen?

Ik ben uitermate visueel georiënteerd. Toch valt me op dat juist bij telefoongesprekken zo vaak de ‘juiste’ vragen of rake uitspraken uit mijn mond rollen, waarna het dan ‘oorverdovend’ stil kan worden aan de andere kant van de lijn… Het verhaal, of de vraag van degene aan de lijn, valt bij mij in een bedding waar het systeem compleet mag zijn. In mijn innerlijk beeld ‘zie’ ik dat het complete systeem groter is dan het beeld van het verhaal van de ander, er steken als het ware randen onderuit die om aandacht schreeuwen. De opstelling is dan niet meer nodig om uit te vinden wat in beeld wil komen. Vanuit de symptoombeschrijving van de cliënt kunnen innerlijke beelden direct het passende patroon-sjabloon vinden om de ‘juiste’ vraag in mij te activeren.

Ik vind het altijd eng om zomaar te vertrouwen op wat er vanuit een innerlijk beeld komt. Daarom zeg ik er vaak bij, dat als het niet klopt, de zin in de prullenbak kan. Dat geeft mij ook meer vrijheid om gewoon te proberen of dit beeld klopt, of dat er andere informatie nodig is.


Hoe doet Siebke dat?

Systemisch interveniëren: waar haal je je interventies, opmerkingen en vragen vandaan?

Een gewetensvraag!

Deze vraag wordt me vaak gesteld. Met name door mensen die zich verder willen bekwamen in de systemische kijk. Opdrachtgevers stellen de vraag niet. Zij zijn niet met mij bezig maar nemen dat wat in het gesprek of in het verdere proces als ondersteunend of verhelderend ervaren wordt gewoon aan.

Daarmee zet de vraag me onbedoeld in de positie van expert. “Zeg: hoe doe jij dat? Dan kan ik dat misschien ook doen…”. En zo werkt het niet. Ieder heeft eigen manieren om in contact te komen met de systeemenergie. Ieder heeft eigen signalen. Deze laten je ervaren dat je in contact staat met het systeem van de ander, zodat je spreekbuis wordt van iets vanuit dat systeem. Signalen die je doen beseffen dat je er juist los van begint te komen. Dat de gedachten meer van jezelf en je eigen ervaring zijn dan resonanties vanuit het andere systeem. Systemisch professioneel zijn betekent voor mij dan ook heel veel zelfinzicht en zelfreflectie; wanneer nemen mijn ego-behoeftes het voortouw? Wat zijn eigenlijk mijn behoeftes, ambities? Hoe kan ik bij mezelf herkennen wanneer die aan de touwtjes trekken?

Voor mij bestaat de kern van professioneel systemisch werken uit grofweg drie bronnen. Eén bron betreft kennis en inzicht in systemen, patronen, dynamieken, systeembehoeften etc. Daarbij heb ik mijn denkvermogen nodig, mijn vermogen om enerzijds mijn ervaringen met en kennis van systemen te benutten, en anderzijds steeds weer open te kijken naar dit systeem. Een andere bron wordt gevoed door alles wat zich vanuit het andere systeem wil tonen.

Daarvoor heb ik al mijn zintuigen nodig: “Ik voel me in dit gesprek klein worden”. Dat kan ik gewaarzijn. En dan de reflectie: “Zegt dit iets over mij, heb ik dit vaker, zegt dit wellicht iets van de organisatie waar ik nu binnen ben gegaan?

Merkte ik het ook al bij het eerste telefonische contact, het binnentreden van de organisatie, het wachten tot ik op gehaald werd?”. Naast kennis en ervaring, en gewaar-zijn en reflectie is mijn derde bron van systemisch handelen de systemische basishouding. Daar kom ik op het terrein van loslaten van mijn eigen doelen en behoeftes, van alle wil tot veranderen en helpen, mijn eigen (vaak tijdelijke) plek kennen, meerzijdig partijdig kunnen luisteren, voorbij alle interpretaties kunnen luisteren vanuit het grotere geheel, mijn gewaar-zijn kunnen beschouwen, zonder oordeel.

Mijn opmerkingen en interventies worden gevoed door al deze bronnen. Ik denk dat met name de systemische basishouding mijn grond vormt. Ik zal u als lezer een stukje meenemen in mijn manier van doen. Misschien helpt dat om te kijken naar je eigen manier van doen

Het eerste contact. Mijn eerste contact-moment is meestal via de telefoon. Niks voorbereiding, maar na het gesprek ga ik na: “Wat gebeurde er in dit contact? Wat valt op?”. Hierbij put ik uit mijn kennis (“Wat bijzonder dat niet de manager belt maar de P&O-adviseur”) en mijn gewaarzijn (“Ik voelde me meteen in de actie schieten, het lijkt erop dat de nood en urgentie nu al bij mij neergelegd worden”). Naar de afspraak gaan. Mijn voorbereiding begint al als ik naar de ontmoetingsplek loop (meestal de organisatie die mij gevraagd heeft).

Ik probeer bewust in de stand van registreren te gaan, en alle oordelen los te laten: “Wat gebeurt er met mij, wat valt op, wat is markant in beeld?”. Ik neem niet alleen waar, ik registreer vanuit mijn systemische kennis ook: “Wat is niet of nauwelijks in beeld? Wat lijkt te schitteren door afwezigheid?”. Door mijn oordelen naar de achtergrond te laten gaan en mijn nieuwsgierigheid en gewaar-zijn naar voren te brengen begin ik meer en meer contact te krijgen met de systemische laag.

Het gesprek. In het gesprek ga ik zo mogelijk bewust op de geëigende plek zitten, links van de opdrachtgever. En ook ben ik vooral nieuwsgierig en registrerend aanwezig. Ik heb het gevoel dat ik dan alles in mij “aan” zet. Ik neem waar wat ik bij de ander(en) zie, ik neem waar wat er bij mij gebeurt, en ik stel vragen om helder te krijgen wat het probleem is, voor wie het een probleem is, hoe lang het een probleem is, wat er zou gebeuren als het opgelost is, aan wie dat ten goede zou komen, wie er een prijs zouden betalen, en vooral ook: hoort de vraag bij de functionarissen die met mij om de tafel zitten? Mijn manier is dus vragen stellen, en zien wat resoneert. Door systemische vragen te stellen verleid ik eigenlijk tevens alle aanwezigen om ook naar die laag te gaan. Hoe meer wij allen daar voeling mee krijgen, des te vanzelfsprekender komen opmerkingen en voorstellen voor vervolgstappen naar voren. Niet alleen vanuit mij, maar ook vanuit de ander(en).

Omdat ik niets te winnen en verliezen heb en geen enkel vooropgesteld doel heb, kan ik gemakkelijk Hoe doet Siebke dat? Systemisch interveniëren: waar haal je je interventies, opmerkingen en vragen vandaan? Een gewetensvraag! – 35 – meerzijdig partijdig luisteren. Ik hoef niemand te pleasen, ik ben alleen nieuwsgierig en gericht op het systeem, de behoeften en signalen. Verder weet ik dat ik van nature getrokken word naar diegenen die vergeten, miskend of aangeklaagd worden, en dat ik erg positiegevoelig ben. Dus ik word tevens getrokken naar ieder met onduidelijke of onmogelijke plekken. Tot slot kan ik als buitenstaander gemakkelijker mijn gewaar-zijn zonder enige interpretatie en oordeel als informatie naar voren brengen. Dat is zo bij elkaar mijn bijdrage. Puttend uit mijn verschillende bronnen, die allen de poort naar het andere systeem openen.

En ook ik val regelmatig uit de systemische laag. Ik ken mijn eigen signalen; dan ga ik hard werken, me zorgen maken, het proberen goed te doen. Dan voel ik niet meer wat er van binnen gebeurt, dan denk ik veel, dan krijg ik hoofdpijn en zit vooral naar voren. Mijn systemisch aanwezig-zijn en handelen is als een zelfgemaakt pad dat steeds vertrouwder wordt. Soms neem ik een verkeerde afslag of ben ik de weg kwijt, maar hoe vaker ik het loop, hoe meer herkenningstekens ik krijg, tot ik het haast blindelings in het donker kan belopen. Maar het is en blijft mijn pad, met mijn markeringen en bekende dwaalsporen. Ik wens je toe dat je je eigen pad ook steeds beter leert kennen en begaan!


Hoe doet Elmer dat?

Innerlijke houding van de opsteller

De vraag is: wat doe ik innerlijk, of wat gebeurt er innerlijk in mij wanneer ik opstellingen begeleid of in een gesprek ben met een cliënt. Wat versta ik onder ‘innerlijk’? Dat kunnen mijn gedachten zijn, waarbinnen mijn kennis van en ervaring met systemisch werk een toetssteen zijn. Wanneer een cliënt aangeeft dat haar moeder gestorven is toen zij acht jaar was, weet ik cognitief dat het mogelijk is dat een deel van haar ziel zich afgesloten heeft omdat die ervaring te verschrikkelijk was om te kunnen verwerken, dat er wellicht diepe en onvervulde behoeften in haar zitten, waardoor ze haar eigen kinderen niet kan geven wat ze nodig hebben en ga zo maar door. Al die aspecten kunnen getoetst worden door meer vragen te stellen of door een opstelling. Overigens maakt een opstelling het stellen van veel vragen overbodig. Daar wordt meestal snel duidelijk waar het werkelijk om gaat.

Ook kan mijn lichaam reageren. Haast terloops zegt een cliënt dat hij altijd het gevoel heeft gehad dat hij niet thuishoort in zijn gezin van afkomst. Wanneer ik bij zo’n opmerking onmiddellijk kippenvel krijg, of een andere fysieke reactie, kan ik er inmiddels op vertrouwen dat die opmerking systemische relevantie heeft. Dit gaat dan volledig buiten het cognitieve om. Wonderlijk. Overigens is het wel aardig om te vermelden dat ik inmiddels de verschillende fysieke sensaties kan duiden. Bij mij betekent kippenvel: systemische relevantie. Een ijzig gevoel over mijn ruggengraat: misbruik in het systeem. Het verstarren van mijn hele lichaam: moord. Deze duidingen gelden voor mij persoonlijk, en kunnen voor een ander totaal wat anders betekenen. En natuurlijk onderzoek ik iedere keer weer of de duiding klopt. Hetzij door het hardop uit te spreken, hetzij door een representant innerlijk te benoemen (in geval van moord bijvoorbeeld als ‘de dader’) en die op te stellen

Het derde aspect van informatie krijgen is voor mij nog steeds pure mystiek (ik laat me niet graag beperken door zogenaamde wetenschappelijke onderbouwingen die logisch kunnen verklaren hoe het eigenlijk werkt). Ik zit naast een cliënt en mijn aandacht is volledig bij mezelf en ik stel nog geen vragen. Ik ben in contact met mijn ‘innerlijk lichaam’ en neem waar wat zich daar afspeelt. Alles wat er is, is precies goed zoals het is. Misschien neem ik angst waar in mezelf, en ik sta die angst toe om alle ruimte in te nemen die het innemen wil. Misschien voel ik alleen maar een lichte onzekerheid, en ook die sta ik toe er helemaal te zijn. Ik wacht dan net zo lang tot ik in contact kom met een stilte in mezelf. De angst of onzekerheid is er wellicht nog, maar ik ben daar als het ware doorheen gezakt. Vanuit mijn innerlijke stilte kan ik de angst waarnemen, maar ik ‘ben’ die angst niet. En dan pas, vanuit die stilte, stel ik me open voor informatie. En dan kan het gebeuren dat ik plotseling iets weet, bijvoorbeeld: ‘de dood speelt een grote rol in dit familiesysteem’, of ‘iemand is verdronken’. Wanneer ik dit innerlijk ‘weten’ dan deel met de cliënt, blijkt dat bijna altijd te kloppen.

Ook wanneer ik opstellingen begeleid, doe ik dat vanuit die innerlijke plek van stilte. Ook dan kan het gebeuren dat ik plotseling iets ‘weet’. De opstelling is verstard, inert bijna. Er lijkt geen beweging mogelijk en er is geen enkel contact tussen de representanten. Als begeleider van deze opstelling stem ik hier helemaal mee in (gelouterd door jaren van frustratie en wanhoop lukt mij dit inmiddels aardig). Ik trek me nog verder terug in mezelf, meer in contact met mijn innerlijk lichaam. Vanuit die aanwezigheid neem ik de opstelling waar en stel me volledig open voor de informatie die het systeem mij geven wil. Dan kan het gebeuren dat ik plotseling weet dat ik op een bepaalde plek twee representanten neer moet leggen, en ik weet ook dat dit slachtoffers zijn, niet alleen maar twee doden. En meteen ontstaat er weer beweging. Of ik weet: ‘hier is een kind vermoord’, en wanneer ik dat dan ook uitspreek resoneert het in het hele systeem. Als ik het mis heb, wat uiteraard met regelmaat voorkomt, is er geen enkele reactie bij de representanten. In die zin mag je gelukkig altijd op het systeem vertrouwen. Ik heb overigens geen fl auw idee waar die informatie vandaan komt. Uit het familiesysteem? Goed mogelijk. Krijg ik informatie door vanuit de kracht die de systemen bewegen, die eigenlijk alles beweegt? Acht ik ook zeker niet uitgesloten. Het kan me niet schelen hoe het werkt. Wat ik voortdurend ervaar is dat ik als begeleider ook bewogen en geholpen word, en dat is voor mij het enige dat telt. Het ‘niet weten’, en het ook niet willen weten, geeft mij de kracht en het vertrouwen om dit ambacht uit te oefenen.

Overigens is het niet louter systemische intuïtie wat mij doet handelen in een opstelling of gesprek. Ik ben geen leeg en zuiver doorgeefl uik waar puur objectieve informatie doorheen stroomt. Ik zit er zelf altijd tussen, met mijn interpretatie, met mijn beelden die de informatie vormgeven, mijn beperkingen en mijn kwaliteiten. Het systemisch begeleiden is dan ook een voortdurende samenwerking tussen mijn kennis (zoals de wetmatigheden van de verschillende gewetens, de belangrijkste dynamieken en wellicht ook een stukje psychologie), mijn lichaam (door middel van tintelingen, plotseling heel koud krijgen, soms zelfs een gevoel alsof ik een enorme optater krijg), en wat ik ‘vanuit mijn ziel’ noem (ineens iets weten, een zin doorkrijgen of een heel duidelijk beeld voor je zien).

Een samenspel dus van lichaam, geest en ziel.