De pop fase in transformatie

De pop fase in transformatie

Ik vroeg onze dochter, die entomologe is, welke insecten allemaal een popstadium hebben.

We gebruiken heel vaak de vlinder als voorbeeld van transformatie, maar daarmee introduceren we een romantische beeld van transformatie. Alsof de rups vrijwillig een pop wordt omdat ie weet dat met een beetje geduld hij of zij een prachtige vlinder wordt die iedereen in vervoering gaat brengen.
Wespen, muggen, motten, eendagsvliegen, strontvliegen en nog veel meer kruipertjes, vliegertjes en stekertjes hebben drie totaal verschillende levensfasen als larve of made ondergronds, in het water of bovengronds, en soms in een gastdier, waarop een popfase volgt, vaak ergens aan vast gehangen,of ingesponnen en dan de fase van vruchtbaarheid, waarin de paring en het eitjes leggen gebeurt, waarna de dood volgt.

Als we het over transformatie hebben, maken we daar vaak een romantisch beeld van: “we laten ons meedrijven op de flow van het leven en alles komt goed”. Dan heb je dus het romantische vlinderbeeld van de eindfase voor ogen. Maar transformatie gaat over het daar aan voorafgaande proces! 

Als ik me zo voorstel hoe het in die eerste fase is, ik kijk naar de zwermen zwemmende muggenlarfjes in een sloot, of naar de rupsen die iedere dag dikker worden op mijn koolplanten, lijkt me dat een geweldig leven: eten, eten, eten en in t geval van de muggenlarfjes ook nog s lekker met je soortgenootjes rondzwemmen. En geen enkelprobleem met dikker worden, want dan vervel je gewoon een keer of drie en kan je nog dikker worden. Overigens is dat vervellen ook nog een hele klus die soms een hele dag duurt. Je zou het kunnen vergelijken met dat je hele lichaam in steunkousen gehuld is, tot aan je vingers en oren aan toe. En dan zonder hulp van mantelzorger of thuiszorghulp daar uit zien te kruipen..

Maar als dat lukt, dan vreet je weer lekker verder.

En op een moment dat wij mensen allang kotsmisselijk zouden zijn, een maagstoornis zouden hebben of suikerziekte, houdt de larve op met eten, en begint een vreemd afbraak en opbouw proces. Het wordt een “pop”. Uitwendig lijkt de pop in rust te verkeren terwijl intussen van binnen de organen worden afgebroken en worden omgebouwd tot de organen die het volwassen insect nodig zal hebben… 

En nou wij mensen. We werken in grotere systemen: organisaties. En organisaties worden geconfronteerd met een veranderende maatschappij. We moeten transformeren, is daarop een antwoord.

Dan wordt er vaak de vlinder bij gepakt, dat is een voorstelbare transformatie. We gebruiken de metafoor omdat we er zelf niets bij voor kunnen stellen hoe de transformatie zal zijn.

Maar dat voorstelbare en voorspelbare, dat is nou juist het probleem van transformatie. Wanneer je plannen gaat maken over hoe je zal zijn, dan maak je de toekomst vanuit de patronen van nu en het verleden. Dat is verandering, maar de patronen raak je er niet door kwijt.

Het lastige van transformatie is de popfase. De fase dat je als gehele organisatie in een fase komt waar het lijkt of alles stil komt te liggen, of misschien wordt het ervaren als vastzitten, waarin je van binnenuit wordt afgebroken. Vermoedelijk heeft het insect hier geen bewustzijn over, maar wij mensen gaan in zo’n situatie direct reageren. Instinctief reageren. In overlevingsstand. Verdedigen, of aanvallen. Je ergste ik komt boven om maar te kunnen overleven.

Je moet er niet aan denken, al die werknemers in zo’n toestand, dat is niet houdbaar! Hoe krijg je de boel dan ooit getransformeerd?

Mogelijk dat we daar toch wat van die insecten kunnen leren. Die popfase kenmerkt zich doordat het lichaam van de larve heel strak ingepakt wordt. Het wordt ingebakerd. Net als een baby voor wie de overgang van de baarmoeder naar totale bewegingsvrijheid soms te groot is, liefdevol wordt ingebakerd, of in doeken op de buik gedragen wordt.  

Kennelijk is dat nodig, die strakke, liefdevolle, tijdelijk onvermurwbare holding space om een afbraak proces van binnenuit plaats te laten vinden waardoor er nieuwe organen en functies gebouwd kunnen worden voor de volgende fase in de organisatie.

Die eigenschappen worden dus gevraagd van een (bege)leider die zich met transformatie bezig gaat houden. De holding space kunnen maken voor een afbraakproces én voor alle verdedigings- en overlevingsreacties die de delen dan zullen gaan vertonen, én holding space voor je eigen verduren wat er vanuit die overleving allemaal op jou geprojecteerd gaat worden, én dat zo begeleiden dat het een proces van het geheel blijft, én de delen blijven ondersteunen in hun persoonlijk proces én, en dat is nog het ingewikkeldste, geen idee hebben wat, wie, hoe je als organisatie zal zijn na deze transformatie.

Daar moet je haast boven-natuurlijke krachten voor hebben! En dat doet “moeder natuur” nou dagelijks, al miljoenen jaren lang, met muggen, wespen, houtwormen, kevers, motten, vlinders en vliegen!

Het lijkt er op dat transformatie deze “vernauwing” als fase nodig heeft. Kennelijk is ook de kracht, zoals die nodig is om door een geboortekanaal te komen, nodig voor een nieuwe fase in een organisatie.

Misschien is een vroedvrouw wel iemand die nog het meest weet heeft van de holding space die zo’n proces van een transformatie begeleider vraagt. Alleen een transformatie in een organisatie gaat niet over uren, maar eerder over maanden.. Maar het allerbelangrijkste wat een vroedvrouw doet is volledig aanwezig zijn en blijven..

 

Bibi Schreuder